Birma

Twee brieven van E.A.G. Oudenhoven kort na de bevrijding vanuit Bangkok aan zijn broer in Venray over zijn belevenissen sinds 8 december 1941 in Sumatra en Birma.

Bangkok 5-9-1945

Beste allen,

Ben momenteel zoo gezond als een visch te Bangkok in afwachting afvoer naar Sumatra. Kan nog wel even duren. Van Fried en de kinderen al die jaren geen enkel rechtstreeks bericht ontvangen. In Januari vernam ik via mijn zwager dat zij allen gezond en wel te Medan geïnterneerd waren. Ik heb dus goede hoop binnenkort alles terug te zien. Over geleden ellende zullen we maar zwijgen. Ik geloof dat ieder mensch daar de laatste jaren ruim zijn deel van gehad heeft. Heb hier tenminste met schrik vernomen, hoe de zaken er in Holland in het algemeen voorstaan. Voordien heb ik in het nieuws, wat zo nu en dan clandestien doorsijpelde, Venray, Overloon en Deurne o.a. hooren noemen. Ik durf er niet aan denken, wat allemaal gebeurd kan zijn. Heb evenwel goede hoop dat St. Oeike jullie niet in de steek gelaten heeft en mijn dagelijksche bede om jullie allen nog éénmaal te mogen terugzien verhoord zal worden. Stuur zoo spoedig mogelijk bericht over een en ander.
Hedenmorgen heb ik aan een goede kennis, Van Baaren, die voor zaken naar Holland vliegt, een soortgelijk schrijven meegegeven. Hij zal jullie terstond na aankomst zijn adres doen weten. Dan kan Piet Janssen een afspraak met hem maken en uit diens mond alle bijzonderheden over deze ellendige jaren vernemen. Ik hoop van harte dat deze ontmoeting zal plaats hebben. Jullie eerste brief heb ik Kerstmis ’43 ontvangen, daarna niets meer.
Ik heb hier van Venrayers ontmoet:
Bekskens, laatst gezien te Kanbury/Thailand/bestemming Japan, Jan. ’44.
Jo Pluymakers, laatst gezien te Kanbury/Thailand/bestemming Japan, Juni ’44.
Theo Goemans, laatst gezien te Kanbury/Thailand/bestemming Birma, Jan. ’45.
Weet niet wat verder van hen geworden. Vele hartelijke groeten, Bèr.
Een oude verbleekte foto genomen in Januari ’42 en mij door Fried nagezonden (ben n.l. sinds Dec. ’41 niet meer thuis geweest) sluit ik hierbij in. Wees er zuinig op.
Daag Bèr.

oudenhoven

Dit is de foto, die mijn vader in de brief aan zijn familie in Venray vermeldt. Hij heeft de foto die een vaste plaats had boven in zijn ransel, met zich meegezeuld gedurende de periode van 3,5 jaar, die hij aan de Birma-spoorweg heeft moeten werken. Ongetwijfeld zal de foto hem in moeilijke ogenblikken de nodige kracht gegeven hebben om ongeschonden door deze tijd heen te komen. Een aantal jaren na de oorlog vertelde hij mij, dat de foto hem meermalen gered heeft van een grondige 'ransel-inspectie': volgens mijn vader dacht de dienstdoende Japanse soldaat bij het zien van de foto aan zijn eigen familie in Japan, waarna hij de foto zonder de rest van de ransel te inspecteren teruggaf. De oorspronkelijke foto is zes bij negen cm groot.

Bangkok 2 November 1945

Beste Toon, Zus en spruit,
Goddank lui. Jullie brief was het eerste levensteeken uit Holland. Begon me zo langzamerhand zeer ongerust te maken over jullie. Temeer, daar ik wist dat Venray midden in de gevechtszone lag. Heb er altijd voor gebeden jullie allen tenminste éénmaal terug te mogen zien, al heb ik dikwijls gedacht, dat het misschien te veel gevraagd was. Je begrijpt dus wat jullie brief voor mij beteekende. Fried en kinderen op Sumatra maken het uitstekend en ik voel me dan ook een gelukkig en dankbaar menschje.
Ben erg blij dat jullie 11 Januari 1944 besloten hebben een eigen zaakje op te zetten. En de zaken schijnen nog goed te gaan ook, dat jullie al tot uitbreiding zijn overgegaan.
Grootvader Piet is zeker erg trotsch op zijn kleinzoon naamgenoot? Van harte welkom in onze familie, Zus. Hoop dat je erg gelukkig bent met ‘ons Toontie’. Stel me voor dat Fried eveneens erg blij zal zijn als ze het nieuws hoort of leest, want ik heb jullie brief aan haar doorgezonden. Een gedeelte uit haar eerste brief heb ik overgeschreven en naar Venray gezonden. Vermoedelijk zijn jullie hiervan nu reeds op de hoogte. Ze heeft het niet altijd even gemakkelijk gehad met de vijf spruiten, maar ze heeft er zich prachtig doorheen geslagen. Over mezelf durf ik haast niet te praten. Mijn twee sterren hebben alles belangrijk makkelijker voor me gemaakt. Als ik ooit een jaar goed heb besteed, Toon, dan is het geweest destijds toen ik naar de officiersopleiding ging. Zal met een paar woorden trachten mijn ervaringen weer te geven. Bijzonderheden behandelen we straks mondeling bij een gezellige borrel. Zorg dat je wat onder de kurk hebt, tegen die tijd, Zus!
Acht December ’41 nam ik op Balimbingan afscheid van Fried en spruiten om me naar mijn oorlogsbestemming Langsa (Atjeh) te begeven. Daar aangekomen kreeg ik dezelfde nacht nog opdracht om met alle landstorm en militie vandaar naar Poeloe Tiga te gaan teneinde van daaruit de verdediging van de olievelden bij Rantau voor te bereiden. Andere olievelden daar zijn Pankalan Brandan en Pangkalan Soesoe. Het was een onmogelijke opdracht. We beschikten over veel te weinig troepen. Dat zag men Goddank medio Februari in en toen werden alle olievelden opgeblazen. Fried had gedurende die tijd drie maal toestemming gekregen mij op te zoeken. Eenmaal alleen, eens met Loekie en de laatste keer met de drie oudsten. Dit beteekende voor haar telkens een reis van 500 à 600 km. Ik kon zelf geen dag verlof krijgen. 12 Februari zag ik haar voor het laatst. 15 Februari na het opblazen van de olieterreinen werd ik met mijn menschen overgeplaatst naar Kota Radja. Daar kreeg ik de schok van mijn leven. Ik had verwacht daar alles paraat te zullen vinden en het bleek een grote rotzooi. Op dat moment drong het voor het eerst tot mij door dat we tegen de Jap geen schijn van kans maakten. We hebben ons nog ongeveer een maand onledig gehouden met patrouille loopen. Zijn hier en daar nog slaags geweest met oproerige Atjehers en toen 12 Maart de Jap binnenviel, wisten we niets beters te doen dan de beenen te nemen naar Tangse (in de bergen gelegen) waar we ons 18 Maart (een dag die ik nooit zal vergeten) moesten overgeven. Geen heldenverhaal, wat? Zooals ik reeds zei, we hadden geen kans. Krijgsgevangen!
15 Mei gingen we te Belawan scheep naar Burma. Daar aangekomen maakten we een marsch van 35 km van de kust naar Tavoy. Een tocht die velen nooit zullen vergeten. In Tavoy verloren we in één week 12 man aan dysenterie. Het was een sombere, angstige tijd. Hard werken hoefden we toen nog niet. Twee maanden later werden we via Ye afgevoerd naar Tambuy Zayat, een plaatsje 150 km Zuid van Rangoon. Van daaruit werden we de rimboe ingestuurd om een spoorlijn aan te leggen van daar naar Bangkok. Onderscheid tussen officieren en minderen werd door de Jap niet meer gemaakt. Maandenlang heb ik in mijn blote bast (alleen een schaamlapje om) als koelie in de brandende zon aan de dijk gestaan. Ik was al gauw even bruin als een inlander. Het overtollige vet (ik woog voor de inval ruim 90 kilo) ging er al gauw af, doch ik voelde me gezond en sterk als een beer. Het zware werk heeft mij (maar dit is zeer persoonlijk hoor, velen knapten n.l. af) alleen maar goed gedaan. In die dagen ontmoette ik Jo Pluymaeckers, Theo Goemans en Bekskens. Geleidelijk aan drongen we dieper de wildernis in en geleidelijk aan werd het werk zwaarder en het eten beroerder. Honger hebben we nooit geleden, rijst was er voldoende, maar vleesch en groente zagen we soms in maanden niet. We zochten meestal zelf wat groene blaadjes in de wildernis en sommigen aten ratten, slangen en zelfs honden. Ik zelf ben nooit zoover gegaan. Mei 1943 gaf ik eindelijk toe aan het herhaald verzoek van onze kampcommandant om het commando van een der werkgroepen op me te nemen. Ik had dit syeeds geweigerd, omdat ik in een prettige groep zat en liever zelf werkte. Kort daarna werd ik met mijn ploeg (Theo Goemans zat hier ook bij) bij een Australische railploeg ingedeeld. Dat is voor velen een moeilijke tijd geworden. We kwamen in een streek waar de afgeloopen maanden de menschen als ratten waren gestorven aan cholera. We zijn er gelukkig vrij van gebleven. Gedurende twee maanden heb ik nog dienst gedaan als dokter, omdat er niemand anders was. Dat is de somberste tijd van mijn leven geweest. We hadden toen juist te kampen met een soort typheusche koorts. De menschen werden stapelgek en overleden enkele dagen later. Juist in die dagen, kerstdag 1943, ontving ik de eerste en eenige brief uit Venray. Dat heeft me goed gedaan. Van Fried heb ik al die jaren niets gehoord. November 1943 was de baan klaargekomen en Januari 1944 ging een groot deel, waaronder ik, naar Kanchanbury, een plaatsje 120 km west van Bangkok en was voor mij de rotzooi achter de rug. Het was een goed kamp met ruim voldoende eten (vleesch, groente, eieren, visch enz.). Ik heb daar nog heel wat aan studie kunnen doen. We hebben enkele bombardementen gehad op een brug in de buurt. Ons kamp was bij de geallieerden bekend, zoodat we niets vreesden en genoeglijk zaten te kijken als ze bezig waren. Één keer zijn er drie dooden gevallen ten gevolge van ongericht gooien. 10 Augustus van dit jaar zette de Jap ons andermaal op transport en bracht ons naar een kamp 100 km N.O. van Bangkok. Op de dag dat we er aankwamen na een marsch van 47 km hoorden we dat het feest was afgeloopen. Gelukkig lui, want 26 augustus zou het kamp door de Amerikanen gebombardeerd worden en was er geen kip meer levend uitgekomen. Dit was de laatste streek van de Jap.
Sinds twee maanden zit ik nu in Bangkok in het Oriental Hotel. Weer een heerenleven. Ben alle rotzooi allang weer vergeten en wacht vol ongeduld op afvoer naar Sumatra naar Fried en de kinderen. Kunnen jullie je indenken wat dat zeggen wil na ongeveer vier jaar eindelijk je vrouw en kinderenweer terug te zien? Lui, het zal de dag van mijn leven zijn, als ik ze weer gezond en wel in mijn armen heb. Inmiddels vrees ik, dat het nog wel enkele maanden zal aanloopen vóór dat het zoover is. De Engelschen hebben het op Java en Sumatra glad verkeerd aangepakt en het resultaat is, dat er momenteel overal onrust heerscht en er dagelijks nog slachtoffers vallen. Ik heb Fried in mijn laatste brief dan ook aangeraden, om indien er gelegenheid is, zoo snel mogelijk aan de kuiten te trekken en uit te wijken naar Australië, Brits-Indië of desnoods Holland. Ik heb er geen idee van waar we elkaar uiteindelijk weer zullen ontmoeten, maar hoofdzaak is dat zij en de kinderen in veiligheid zijn. Je ziet dat het voor ons voorlopig nog niet afgeloopen is. Maar daarom niet getreurd, we hebben al zooveel gehad, dit kan er ook nog wel bij.
Jongens, schrijven jullie eens gauw een heel lange brief met bijzonderheden over thuis en over jullie zelf.
Zus, zet je schrap om de eerste stevige zoen, groeten aan kleine Piet. Toon, gelukkige kerel, proficiat.

padvinders

Mijn legitimatiebewijs als lid ('teerpoot') van de Nederlandsche padvinders in district Siam. De Nederlandse gemeenschap in Bangkok had kennelijk al snel de nodige activiteiten ontplooid voor de aldaar verblijvende kinderen. Een daverende loopbaan heb ik in deze club helaas niet kunnen opbouwen; op 15 juli 1946 scheepten wij ons in op de 'Ruys' en gingen op weg naar Holland.

Namenlijst.

namen-birma